En hoe is het met je moestuin? Een vraag die ik regelmatig gesteld krijg, als ik weer een nieuw Blogbericht heb gepubliceerd. Logisch, want het lijkt haast wel of ons leven draait om paarden, spoken en ambtenarij. Toch heb ik de afgelopen maanden heel wat uurtjes in mijn tuin doorgebracht, en ik heb alle geïnteresseerden beloofd hier een apart hoofdstuk aan te wijden.
Het laatste wat ik hier zo'n beetje over heb geschreven, is dat we een enorme berg koeiepoep hadden laten aanrukken om de tuingrond te verbeteren. Dat spul is compact en loodzwaar, en het heeft wel een paar weken in bespag genomen om dit over de percelen te verdelen en in te werken. Het had in ieder geval tot gevolg dat het onkruid dit jaar groteske proporties aannam. Vooral het gras, wat maar nauwelijks wil groeien op de plekken waar dit juist zo gewenst is, viel nauwelijks onder de duim te houden. Om van de nood nog enigszins een deugd te maken, liet ik het op sommige onbebouwde plekken lekker doorgroeien om aan de paarden te voeren. Daar waar ik toch de voorkeur gaf aan voor ons eetbare gewassen, trok in het er maar regelmatig met handenvol uit, om direct ter plekke de daardoor onstane kale grond mee te bedekken. Dit principe heet mulchen en heeft als doel nieuwe onkruidgroei te onderdukken en verdroging van de grond tegen te gaan waardoor je minder hoeft te sproeien. Heel ecologisch dus.
Gelukkig zijn er ook heel wat nuttige onkruiden die goed eetbaar zijn. Zo groeide er bij voorbeeld spontaan brave hendrik en postelein die je als spinazie kunt eten, en paardebloem, weegbree en duizendblad voor in de sla. En op een perceel stonden de mooiste wilde bloemen, dus dat was een feest voor het oog, én voor de bijen, die op hun beurt weer nuttig werk verrichten bij de bestuiving van tomaten en pompoenen.
De te bebouwen percelen verdeelden we in 5 categorieën:
* aardappelen, een vroeg en een bewaarras
* wortel- en knolgewassen: radijzen, witlof (die in 2 fasen groeit: eerst de wortel, vandaar in dit perceel, en vanaf oktober wordt de krop getrokken), uien / sjalotten, knoflook en bietjes. Ook hebben we hier de peulgewassen in de vorm van sperziebonen en tuinbonen bijgezet, omdat al deze groentes een matige bemesting vragen.
* bladgewassen: diverse slasoorten, spinazie (die overigens niet opkwam), snijbiet (erg populair bij de wantsen die me vaak net voor waren bij de oogst), prei voor in de winter en het koolgewas broccoli. Deze laaste werd vorig jaar volledig opgevreten door aardvlooien, maar had het dit jaar zo goed naar z'n zin, dat ik weer met een overschot van tot bloei gekomen planten zat. Heel mooi, maar niet eetbaar. Toen ik las dat paarden verzot zijn op broccoli, had ik ook hier weer een goeie bestemming voor.
* vruchtgewassen: tomaten, courgette en aardbeien. Een tweede perceel was gereserveerd voor pompoenen. De zaden hiervan had ik van een vriendin gekregen, en bleek uiteindelijk uit verschillende variëteiten te bestaan. Eigenlijk had ik deze vooral geplant als bodembedekker tegen onkruid. Ooit had mijn moeder namelijk eens een pompoensoep gemaakt, die zo vies was, dat zelfs zij hem niet wilde eten! Maar nu ik eenmaal toch zo'n grote oogst had, ben ik op zoek gegaan naar goeie recepten. Dat was een ontdekking; zowel in zoete als hartige gerechten smaken ze heerlijk. Als soep, gevuld of gegrild, heel veelzijdig. Makkelijk te telen (mits voldoende mest). En nog decoratief ook. Voortaan zullen ze een vast onderdeel uitmaken van de moestuin. De aardbeien bleken een stuk ingewikkelder want favoriet bij heel wat diersoorten. Ik had twee soorten: bij de ene soort was ik steevast te laat want zodra er een verkleurde, ging er een beest mee aan de haal. De andere soort wilde echter helemaal niet verkleuren. Ik had deze plantjes van Ayla gehad. Op een dag vroeg ze me of ik al had kunnen oogsten. Ik antwoordde dat ze maar niet wilden rijpen, waarop ze hard moest lachen. Dit waren namelijk witte aardbeien die niet verkleurden om vogels te misleiden! Dit was dus ook bij mij goed gelukt. En hoewel ze er niet aantrekkelijk uitzagen, smaakten ze voortreffelijk.
* wintergroenten. Verschillende zaaisels van rapen en selderij wilden niet opkomen, maar de spruiten deden het prima, en daardoor kunnen we ook nu nog eten uit eigen tuin. Naast alle groentes die verwerkt of anderzins bewaard zijn natuurlijk.
Het meest trots was ik op de tomaten. Ik had wel 6 soorten op een biologische markt gehaald, en ondanks dat ik in mei nog in de sneeuw (!!) erop uit moest om ze van bevriezing te redden, had ik een fantastische oogst. Quasi nonchalant kon ik zo al tomaten weggeven op een moment dat de meeste andere telers nog tegen kleine groene knikkers aan zaten te kijken. Tot in november hadden we cherrytomaatjes.
Verkocht heb ik niets, uitsluitend weggeven. Dit is veel leuker en bijna iedereen waardeert het enorm om verse biologische groentes te krijgen. Anna heeft er zelfs een ambtenaar mee 'omgekocht' die kwam om te bepalen of er vergunningen konden worden verstrekt. Zelf had ik zoiets nooit gedurfd, maar toen ik Anna bij haar vertrek een grote zak groentes gaf, gaf ze direct een groot deel ervan weg aan de dame, die het maar wat graag aannam. Toegegeven, qua geldelijke waarde stelt het niet veel voor, maar de ongegeneerdheid waarmee dit gepaard ging was toch enigszins verbazingwekkend. Maar zelfs na alle toestanden om het pad (waarover later meer), is ze nog altijd op onze hand.
Met een paar potten zelfgemaakte vijgenjam heb ik een paar hardwerkende mannen bedankt die de hele dag in vreselijk regenweer op het dak van het kantoortje hadden geploeterd. En ook de boeddistische geestenuitdrijver was blij met een berg legumes, plein d'amour (oftewel met liefde geteelde groentes).
Hoewel het met de teelten dus allemaal best lekker liep, schoten we met de structuur van de moestuin nog steeds niet op. Enkele percelen waren dan wel al omzoomd met stenen, maar die vielen regelmatig om door regen, mollen of mezelf. Aangezien het nogal een bloedkarwei was geweest om ze neer te zetten, besloten we er niet mee door te gaan maar een andere oplossing te zoeken die steviger, maar vooral sneller was. Ook goedkoop en ecologisch verantwoord waren belangrijke voorwaarden. Deze oplossing onden we tijdens een van onze bezoekjes aan de houtzagerij. Hier verkopen ze voor een luttel bedrag zaagoverschotten zoals de begin-en eindplanken waar alleen maar schors op zit. Deze zijn mooi, duurzaam, sterk, relatief snel neer te zetten en als ze in de loop van de jaren vergaan voegt het weer voedsel toe aan de bodem. Na ettelijke keren heen en weer rijden hadden we dan 100 bruikbare planken die we alvast provisorisch tegen de bedjes hebben neergezet totdat we tijd hebben ze met paaltjes te stutten. Ik vrees dat daar wel weer een zomer overheen zal gaan...
Inmiddels waren van de percelen zonder stenen rand de opgehoogde grond al behoorlijk afgekalfd en op de paden terecht gekomen. Hoelang ik al niet met schepjes heb zitten ploeteren om die allemaal af te graven, het was nu nauwelijks meer zichtbaar. Daar had ik geen tweede keer zin meer in. Als onderdeel van het grote project hebben we daarom ook de moestuin laten profiteren van de aanwezigheid van een graafmachine. In 2 dagen tijd heeft deze alle paadjes keurig opnieuw afgegraven, in een cirkel om de moestuin heen nog een rondpad, waarvan de aarde in een cirkel daar weer omheen is gestort om ruimte te creeren voor kleinfruit, en ook nog eens 24 kuilen van 1 m3 voor de aanplant van fruitbomen.
Een boomgaard staat al jarenlang in de planning maar we hebben er altijd nogal tegenaan gehikt. Er zijn namelijk nogal wat factoren om rekening mee te houden. De standplaats (grondsoort, hoeveelheid zon, afwatering) bepaalt je rassenkeuze. Vervolgens kijk je naar zelfbestuivend of kruisbestuiver, vroege of late rassen, bewaarbaar of meteen opeten, toepassingsmogelijkheden, smaak uiteraard, stamhoogte (meestal 3 variaties mogelijk. Hoe lager de stam hoe eerder je fruit hebt, maar hoe korter de boom meegaat) en heel belangrijk bij biologische teeltwijze: ziekteresistentheid. Dit is al een studie op zich, maar grootste probleem is hoe je aan de juiste bomen komt. Na enig speurwerk op het internet had ik een instantie gevonden die oude streekeigen rassen kweekte en daarmee in stand hield. Oude rassen zijn veelal beter bestand tegen ziektes omdat er vroeger nu eenmaal nog niet zoveel giffen in de handel waren en de bomen die het overleefden dus heel sterk waren. Ook leek het ons wel leuk rassen te kopen die min of meer typisch zijn voor deze streek.
Op de site waren alle rassen voorzien van een omschrijving, en dat was nodig ook want ik kende er practisch geen een. Maar als je dan bedenkt dat er alleen al 88 soorten kersenbomen te vinden waren, waarbij je dan ook nog een keuze moet maken uit verschillende onderstammen en leeftijd van de boom, dan begrijp je dat ik weer vele avonden heel zoet was... Het resultaat was 7 appel-, 4 peren-, 4 pruimen-, 2 kersen-, 2 perzik-, 2 hazelnoot-, 2 walnootbomen en 1 vijg (want daar hadden we er al een van).
Nu we dan eindelijk bomen hadden (natuurlijk op z'n frans met de nodige vertragingen en ergernissen), en er kuilen waren voorgegraven, leek de rest een koud kunstje. Nou koud was het wel begin januari, maar simpel niet. Onder een 20 cm dikke vruchtbare toplaag begint een massa uiterst compacte rode klei, die door de regen nog zwaarder en onhandelbaarder was geworden (de graafmachine was helaas al weer vertrokken). Met een spitvork moesten we het spul van de berg afsteken maar vervolgens moest je het dan weer van je spitvork afschrapen, waarna het weer bleef plakken aan het gereedschap dat je daarvoor gebruikte en ga zo maar door. Fruitbomen houden uiteraard ook niet van een dergelijke ondoordringbare laag dus had ik ter voorbereiding al aanhangers vol turf, compost en kalk aangerukt om hierdoorheen te mengen. Aangezien Ton er maar een week was, moesten we minimaal 3 bomen per dag planten. Dat lukte uiteindelijk en nu maar hopen dat we snel de vruchten van deze zware arbeid mogen gaan plukken!